| 30 | De dood, dat is, niet meer de zon zien, is | dood - leven | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 75-76 | geruisloze dief, komt goede leven halen, kust het weg (75) |
|
Nr. | GEDICHT | THEMA | PUBLICATIE | UITGEVER | PLAATS, JAAR | BLZ. | NOTITIES |
|
| 31 | De dood, dat is, niet meer de zon zien, is | dood - leven | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | geruisloze dief, komt goede leven halen, kust het weg (75) |
| 32 | Ik wilde dit u voor uw leven geven | dood zijn | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 34 | als ik dood zal zijn moet gij mij wekken |
| 33 | Ik wilde dit u voor uw leven geven | dood zijn | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | als ik dood zal zijn moet gij mij wekken |
| 34 | De dood, dat is, niet meer de zon zien, is | doodgaan | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 75-76 | henenzinken naar den chaos, die U eertijds hield omvangen (75) |
| 35 | De dood, dat is, niet meer de zon zien, is | doodgaan | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | henenzinken naar den chaos, die U eertijds hield omvangen (75) |
| 36 | Dit zal het einde zijn: een witten doek | doodgaan | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 36 | ik voel mij langzaam uit elkander vallen |
| 37 | Dit zal het einde zijn: een witten doek | doodgaan | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | ik voel mij langzaam uit elkander vallen |
| 38 | Voorjaar | eeuwigheid | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 22 | plukken / eten / proeven kleine vruchten v/d gouden sterren |
| 39 | Voorjaar | eeuwigheid | Liederen van huisvlijt | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1917 | ? | plukken / eten / proeven kleine vruchten v/d gouden sterren |
| 40 | Nu weet ik wat in mij is denkende | ether | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 41-42 | de zich uitschenkende aether die in ruimte gaat verloren, in mij opnieuw geboren (40b) |
| 41 | Nu weet ik wat in mij is denkende | ether | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | de zich uitschenkende aether die in ruimte gaat verloren, in mij opnieuw geboren |
| 42 | Het woordeloze spreekt, de avond spreekt | fluisteren - stilte | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 71 | wij trachten vergeefs van boom / maanlicht / ster het diepe fluisteren te begrijpen |
| 43 | Het woordeloze spreekt, de avond spreekt | fluisteren - stilte | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | wij trachten vergeefs van boom / maanlicht / ster het diepe fluisteren te begrijpen |
| 44 | Als gij mij leest, dan moet gij mededichten | gedicht - lezer | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 96 | ik las het echter, vóór gij had gelezen |
| 45 | Als gij mij leest, dan moet gij mededichten | gedicht - lezer | Liederen der gemeenschap III | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1922 | ? | ik las het echter, vóór gij had gelezen |
|
Nr. | GEDICHT | THEMA | PUBLICATIE | UITGEVER | PLAATS, JAAR | BLZ. | NOTITIES |
|
| 46 | Er is iets glinsterends in mijn hart | geloof | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 47 | (zie beginregel) |
| 47 | Er is iets glinsterends in mijn hart | geloof | Opstandige liederen | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1919 | ? | (zie beginregel) |
| 48 | Wordende God, die in ons allen zijt | god | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 102 | (zie beginregel) |
| 49 | Wordende God, die in ons allen zijt | god | Liederen der gemeenschap III | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1922 | ? | (zie beginregel) |
| 50 | Zijn wij te zamen God? Het overkomt | god - mens | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 131 | ik ben het dwaze ding, dat zich een God weet, en een nieteling |
| 51 | Zijn wij te zamen God? Het overkomt | god - mens | Uit God | Em.Querido | Amsterdam 1930 | ? | ik ben het dwaze ding, dat zich een God weet, en een nieteling |
| 52 | Liever dan mens te zijn, werd ik een wolk | god - mensheid | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 58 | ik zou de mensheid maken tot een God van alle goden / zonnen / planeten |
| 53 | Liever dan mens te zijn, werd ik een wolk | god - mensheid | Nieuwe liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1920 | ? | ik zou de mensheid maken tot een God van alle goden / zonnen / planeten |
| 54 | Voorjaar | heelal | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 22 | wij kussen U bemind heelal |
| 55 | Voorjaar | heelal | Liederen van huisvlijt | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1917 | ? | wij kussen U bemind heelal |
| 56 | Het is al ochtend en ik lig zeer stil | huid | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 53-54 | vleugelt hier / daar een ritseling over fijne bladen van mijn hand (52b) |
| 57 | Het is al ochtend en ik lig zeer stil | huid | Nieuwe liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1920 | ? | vleugelt hier / daar een ritseling over fijne bladen van mijn hand (52b) |
| 58 | Mijn vriend, al wat gij kopen kunt voor geld | kopen - schenken | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 57 | veracht dit wat men u verkoopt, het moet geschonken worden |
| 59 | Mijn vriend, al wat gij kopen kunt voor geld | kopen - schenken | Nieuwe liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1920 | ? | veracht dit wat men u verkoopt, het moet geschonken worden |
| 60 | Ergens is dit het allergrootst geheim | levensgeheim | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 29-30 | klein blad, wiegelend in woud, waarbinnen stilte is |
|
Nr. | GEDICHT | THEMA | PUBLICATIE | UITGEVER | PLAATS, JAAR | BLZ. | NOTITIES |
|
| 61 | Ergens is dit het allergrootst geheim | levensgeheim | Liederen der gemeenschap | C.A.J. van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | klein blad, wiegelend in woud, waarbinnen stilte is |
| 62 | Als gij mij leest, dan moet gij mededichte | lezen | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 96 | las het eerder voor gij |
| 63 | Nu weet ik wat in mij is denkende | licht | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 41-42 | wordt met ether in mij opnieuw geboren (41b) |
| 64 | Nu weet ik wat in mij is denkende | licht | Liederen der gemeenschap | C.A.J. van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | wordt met ether in mij opnieuw geboren |
| 65 | Eens zal ik redevol zijn en als gras | liefde | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 74 | is te veel, spreek niet dit tedere oineindig woord |
| 66 | Eens zal ik redevol zijn en als gras | liefde | Van God en de natuur | C.A.J. van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | is te veel, spreek niet dit tedere oineindig woord |
| 67 | Wanneer gij niets verlangt, kdan zal omen | liefde - verlangen | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 55 | liefde komt en dan met haar verenigen |
| 68 | Wanneer gij niets verlangt, kdan zal omen | liefde - verlangen | Nieuwe liederen der gemeenschap | C.A.J. van Dishoeck | Bussum 1920 | ? | liefde komt en dan met haar verenigen |
| 69 | Mijn vriend, al wat gij kopen kunt voor geld | man - vrouw | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 57 | v/e vrouw de zoete liefde, v/e man het woord |
| 70 | Mijn vriend, al wat gij kopen kunt voor geld | man - vrouw | Nieuwe liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1920 | ? | v/e vrouw de zoete liefde, v/e man het woord |
| 71 | Eens zal ik redevol zijn en als gras | mens | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 74 | gemaakt van licht en donkerheid, steigering en diepte |
| 72 | Eens zal ik redevol zijn en als gras | mens | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | gemaakt van licht en donkerheid, steigering en diepte |
| 73 | Wanneer wij zullen naakt zijn als de zee | naakt | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 70 | in woordeloze ruim uitzeggers worden v/e wonderzacht bevel |
| 74 | Wanneer wij zullen naakt zijn als de zee | naakt | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | in woordeloze ruim uitzeggers worden v/e wonderzacht bevel |
| 75 | Ik wilde reiken naar een tijd, dat mild | nieuwe mens | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 99-100 | een zelfvergetene, een blij / wisselend / glorieus gebeuren (100) |
|
Nr. | GEDICHT | THEMA | PUBLICATIE | UITGEVER | PLAATS, JAAR | BLZ. | NOTITIES |
|
| 76 | Ik wilde reiken naar een tijd, dat mild | nieuwe mens | Liederen der gemeenschap III | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1922 | ? | een zelfvergetene, een blij / wisselend / glorieus gebeuren (100) |
| 77 | De donkere verroeste blaren maken | november | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 67 | verheugd tussen wonderen van schoonheid om mij heen |
| 78 | De donkere verroeste blaren maken | november | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | verheugd tussen wonderen van schoonheid om mij heen |
| 79 | Het is al ochtend en ik lig zeer stil | ochtend | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 53-54 | geuren v/h nieuw geboren Al komen als kinderen mijn kamer binnen (53o) |
| 80 | Het is al ochtend en ik lig zeer stil | ochtend | Nieuwe liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1920 | ? | geuren v/h nieuw geboren Al komen als kinderen mijn kamer binnen (53o) |
| 81 | Ik ga gevangen in het stralend net | oneindig | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 72 | stralend net door oneindigheid uitgezet |
| 82 | Ik ga gevangen in het stralend net | oneindig | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | stralend net door oneindigheid uitgezet |
| 83 | Alles van u en niets van mij | overgave | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 35 | toen ik u naderde ben ik genomen |
| 84 | Alles van u en niets van mij | overgave | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | toen ik u naderde ben ik genomen |
| 85 | Ben ik de klank die door de luchten relt | piekervaring | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 27-28 | ben ik de sprakeloze die ontving spraak v/h eeuwig sprakeloze ding (28b) |
| 86 | Ben ik de klank die door de luchten relt | piekervaring | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | ben ik de sprakeloze die ontving spraak v/h eeuwig sprakeloze ding |
| 87 | De bomen houden intocht in mijn ogen | piekervaring | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 43 | waren de velden in of buiten mij / meet met ogen uw oneindigheid |
| 88 | De bomen houden intocht in mijn ogen | piekervaring | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | waren de velden in of buiten mij / meet met ogen uw oneindigheid |
| 89 | Ergens in het allergrootst geheim | piekervaring | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 29-30 | kijkende uit onaanzienlijkheid v/e klein blad (29b) |
| 90 | Ergens in het allergrootst geheim | piekervaring | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | kijkende uit onaanzienlijkheid v/e klein blad |
|
Nr. | GEDICHT | THEMA | PUBLICATIE | UITGEVER | PLAATS, JAAR | BLZ. | NOTITIES |
|
| 91 | het is onwerkelijk | piekervaring | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | een niet te gelven Iets, een fluisterding |
| 92 | het is onwerkelijk. Een sprookje staat | piekervaring | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 73 | een niet te gelven Iets, een fluisterding |
| 93 | Ik ga gevangen in het stralend net | piekervaring | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 72 | ik ben de kijker in een fijne glinstering |
| 94 | Ik ga gevangen in het stralend net | piekervaring | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | ik ben de kijker in een fijne glinstering |
| 95 | Een dromend kind dat met de sterren speelt | poëzie - werkelijkheid | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 39 | u dromende leef ik de werkelijkheid |
| 96 | Een dromend kind dat met de sterren speelt | poëzie - werkelijkheid | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | u dromende leef ik de werkelijkheid |
| 97 | Er is iets glinsterends in mijn hart | proletariaat | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 47 | oproer, over de aarde uw klinkend grote stem |
| 98 | Er is iets glinsterends in mijn hart | proletariaat | Opstandige liederen | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1919 | ? | oproer, over de aarde uw klinkend grote stem |
| 99 | Het meisje | prostitué | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 14-15 | de avond is haar morgen en het maantje is haar zon |
| 100 | Het meisje | prostitué | Liederen van huisvlijt | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1917 | ? | de avond is haar morgen en het maantje is haar zon |
| 101 | Het woordeloze spreekt, de avond spreekt | reikwijdte | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 71 | wij trachten vergeefs van boom / maanlicht / ster het diepe fluisteren te begrijpen |
| 102 | Het woordeloze spreekt, de avond spreekt | reikwijdte | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | wij trachten vergeefs van boom / maanlicht / ster het diepe fluisteren te begrijpen |
| 103 | De bomen houden intocht in mijn ogen | schedel | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | | ik kan in deze schedel u bevatten |
| 104 | De bomen houden intocht in mijn ogen | schedel | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | ik kan in deze schedel u bevatten |
| 105 | De gouden zon verglijdt tot geel en purper | schoonheid | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 97 | niet vast te houden is de Schoonheid van het Al |
|
Nr. | GEDICHT | THEMA | PUBLICATIE | UITGEVER | PLAATS, JAAR | BLZ. | NOTITIES |
|
| 106 | De gouden zon verglijdt tot geel en purper | schoonheid | Liederen der gemeenschap III | C.A.J. van Dishoeck | Bussum 1922 | ? | niet vast te houden is de Schoonheid van het Al |
| 107 | Kom socialisme | socialisme | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 48 | kom weldra, bind mij met uwe machtige accoorden |
| 108 | Kom socialisme | socialisme | Opstandige liederen | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1919 | ? | kom weldra, bind mij met uwe machtige accoorden |
| 109 | het is onwerkelijk | ster | Van God en de natuur | C.A.J. van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | fosforiserend beeft zij a/d lucht; fluisterding |
| 110 | het is onwerkelijk. Een sprookje staat | ster | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 73 | fosforiserend beeft zij a/d lucht; fluisterding |
| 111 | Dit zal het einde zijn: een witte doek | sterven | De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten (R.-H.Zuidinga) | A.A.Sijthoff | Amsterdam 1985 | 46 | voel mij langzaam uit elkander vallen |
| 112 | Dit zal het einde zijn: een witte doek | sterven | Liederen der Gemeenschap II | Van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | voel mij langzaam uit elkander vallen |
| 113 | Dit zal het einde zijn: een witte doek | sterven | Met twee maten (P.Rodenko) | Bert Bakker / Daamen | Den Haag 1956 | 140 | voel mij langzaam uit elkander vallen |
| 114 | Hoor de stilte schrijden | stilte | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 31 | diepte en het verre Zijn in luisterend verzaam |
| 115 | Hoor de stilte schrijden | stilte | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | diepte en het verre Zijn in luisterend verzaam |
| 116 | De gouden zon verglijdt tot geel en purper | verandering | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A. van Oorschot | Amsterdam 1955 | 97 | niet vast te houden is de Schoonheid van het Al |
| 117 | De gouden zon verglijdt tot geel en purper | verandering | Liederen der gemeenschap III | C.A.J. van Dishoeck | Bussum 1922 | ? | niet vast te houden is de Schoonheid van het Al |
| 118 | Een dromend kind dat met de sterren speelt | verwondering | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 39 | het zalig leven der verwonderingen |
| 119 | Een dromend kind dat met de sterren speelt | verwondering | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | het zalig leven der verwonderingen |
| 120 | Het is al ochtend en ik lig zeer stil | vogelzang | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 53-54 | sublieme lussen van geluid uitwerpen op mijn hart (53m) |
|
Nr. | GEDICHT | THEMA | PUBLICATIE | UITGEVER | PLAATS, JAAR | BLZ. | NOTITIES |
|
| 121 | Het is al ochtend en ik lig zeer stil | vogelzang | Nieuwe liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1920 | ? | sublieme lussen van geluid uitwerpen op mijn hart (53m) |
| 122 | Voorjaar | voorjaar | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 22 | wij kussen U bemind heelal |
| 123 | Voorjaar | voorjaar | Liederen van huisvlijt | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1917 | ? | wij kussen U bemind heelal |
| 124 | De grote zanger Wind, hij is de stem | wind | Met twee maten (P. Rodenko) | Bert Bakker/Daamen | Den Haag 1956 | 141 | stem die opstijgt uit zalen van het Al |
| 125 | De grote zanger Wind, hij is de stem | wind | Nieuwe Liederen der Gemeenschap | Van Dishoeck | Bussum 1920 | 26-27 | stem die opstijgt uit zalen van het Al |
| 126 | Fragmenten XI | wind | Met twee maten (P. Rodenko) | Bert Bakker/Daamen | Den Haag 1956 | 141 | stem die opstijgt uit zalen van het Al |
| 127 | Fragmenten XI | wind | Nieuwe Liederen der Gemeenschap | Van Dishoeck | Bussum 1920 | 26-27 | stem die opstijgt uit zalen van het Al |
| 128 | Voorjaar | zaad | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 22 | lichtgod zal zaad dat rumoert in bruidgetooide landen stuwen naar de hemel |
| 129 | Voorjaar | zaad | Liederen van huisvlijt | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1917 | ? | lichtgod zal zaad dat rumoert in bruidgetooide landen stuwen naar de hemel |
| 130 | De bomen houden intocht in mijn ogen | zien | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 43 | (zie beginregel) |
| 131 | De bomen houden intocht in mijn ogen | zien | Liederen der gemeenschap | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1918 | ? | (zie beginregel) |
| 132 | Het woordeloze spreekt, de avond spreekt | zomeravond | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 71 | in dit van stilte tintelende uur |
| 133 | Het woordeloze spreekt, de avond spreekt | zomeravond | Van God en de natuur | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1921 | ? | in dit van stilte tintelende uur |
| 134 | De gouden zon verglijdt tot geel en purper | zonsondergang | Een bloemlezing uit zijn gedichten | G.A.van Oorschot | Amsterdam 1955 | 97 | niet vast te houden is de schoonheid van het Al |
| 135 | De gouden zon verglijdt tot geel en purper | zonsondergang | Liederen der gemeenschap III | C.A.J.van Dishoeck | Bussum 1922 | ? | niet vast te houden is de schoonheid van het Al |